[1651 of 1653. Landshut]

De Duitse latinist Jacob Balde (1604-1668) beschrijft in een van zijn gedichten dat hij vroeger een olifant had gezien bij de rivier Isar (1). Die olifant kon vele kunstjes; onder andere water dragen en goed dansen. De olifant zien was niet gratis, maar het betaalde entreegeld was meer dan de moeite waard. In Balde und die römische Satire, (eds. G. Freyburger en E. Lefèvre), Tübingen 2005 (NeoLatina 8), p. 324-325, worden enkele dichtregels aangehaald en wordt verondersteld dat de beschrijving betrekking heeft op de plaats Landshut. Landshut ligt namelijk aan de Isar. Het gaat ook om een plaats waarvan, volgens het gedicht, de toren in de hemel reikt. De toren van de Martinskerk van Landshut voldoet aan deze beschrijving. Met 130,6 meter is deze kerktoren zelfs de hoogste baksteentoren ter wereld. Landshut ligt niet ver van Regensburg, waar de olifant in 1651 was. Hansken was in de zomer van 1653 echter opnieuw in Regensburg. Jacob Balde was in 1650 van München naar Landshut verhuisd. Er kan al met al dus geen twijfel bestaan over de vraag of Hansken in Landshut is geweest, maar op basis van de beschikbare gegevens staat niet vast of dat in 1651 was of in 1653.

1) “Turris ubi penetrat nubes, & trudit arenas

Isara flaventes: elephantum vidimus olim:

Non gratis, fateor. pretio tamen ille videri

Dignus erat: prudens multasque instructus ad artes:

Hydrophorus, (sed vina manu potanda ferebat

Promptior) egregiusque pugil, mirusque Chorevta.

Bellua Maurorum tam grandis, tota Batavae

Dos suit uxoris, non aspernanda marito.

Mille Philippaeos dando, non plura dedisset.

Hinc & opes, cumulatae, atque omnis cella, penusque.

Hanc Dotem malim, quam te Cornelia Gracchi,

Stemmate cum patrio, declamatisque triumphis;

Nil praeter titulos, & Punica bella serentem.

Nempe veluptatem spectantes aere fuerunt.

Tantundem pro Simiolo, vel Cercopitheco

Non ego dem: quamvis offerres mille videndos.

Sed quid si ex musca monstraret factum elephantum

Wiselius specularum opifex? fudibria, nugae.

Edita de musca scrimus proverbia vulgi.”

Uit: J. Balde, Opera Poetica omnia, Vol IV, München 1729, p. 473-474 (stuk 13 onder de titel “Quippe ni & elephantum ardelionem?” van de “Satyra nihil gratis, inscripta”).