[1649, vóór augustus]. Minden

De dichter zegt in een teleurgesteld dat hij niet de olifant heeft kunnen zien in Minden. Die olifant kon schieten, vechten, dansen en andere zaken (1). De uitgave verscheen onder het pseudoniem Jacobus Luttendutus en de dichter wordt geïdentificeerd met Anton Rulmann (1590-1652) uit Bückeburg, een plaats niet ver van Minden. De uitgave wordt op 1650 gedateerd en werd in 1928 opnieuw uitgegeven. Vermoedelijk was Hansken in 1649 in Minden vóór haar verblijf in Hannover in augustus dat jaar. Een andere mogelijkheid, die minder waarschijnlijk lijkt, is een bezoek aan Minden tussen Osnabrück eind 1646 en Frankfurt in april 1647.

1)

Und late ick den Danck, so groet, in minem Sinne gaen
Alse de Elephante iß, so nu to Minden fret de Stuten,
Und (wo ick höre) mit der langen starcken Schnuten,
Veel dulle und seltzen Uptöge schall maken,
Mit scheten, fechten, dantzen und andern Saken.
Twar dat Deerte und sine Geberden,
Hedde ick gern gesehn, went my mögen werden;
Averst darna to gaen dat fel my ungelegen.

Uit: Jacobus Luttendutus (pseudoniem voor Anton Rulmann uit Bückeburg), Niederdeutsche Klinggedichte, ca. 1650. Opnieuw uitgegeven door Albert Leitsmann onder de titel Niederdeutsche Klinggedichte. Abdruck der original-ausgabe (etwa 1650), Halle (Saale) 1928, p. 54 (citaat). Met dank aan Martin Rohlf uit Wolfenbüttel.