1633, 16, 21 en 23 juli, 13 augustus. Amsterdam

Een retourvloot van de VOC brengt in de zomer van 1633 enkele exotische dieren naar Nederland. De aankomst van een “witte Olyphant” wordt vermeld in de Courante uyt Italien ende Duytschlandt, &c. van 16 juli. Deze krant verschijnt wekelijks in Amsterdam (1). Het bericht wordt door de Gazette de France van 30 juli overgenomen (2).

De olifant, maar ook een Indiaas hert en een luipaard (die enkele malen als tijger wordt aangeduid), worden blijkens een advertentie in de krant van 23 juli vertoond in het Oude Glashuis in Amsterdam ten bate van de armen (3). Ook dit bericht wordt in de Gazette de France (van 6 augustus) overgenomen, waar de locatie een ziekenhuis genoemd wordt (2). Of ook de casuaris in het Oude Glashuis te zien was, is onduidelijk. Deze vogel hoorde ongetwijfeld tot de zending, maar werd door de luipaard doodgemaakt (4).
De kamer Amsterdam van de VOC vergadert 21 juli over de plaats waar de olifant en de luipaard met instemming van Frederik Hendrik voor geld tentoongesteld kunnen worden en hoe de verdiensten onder het aalmoezeniershuis en de diaconie van de Duits gereformeerde kerk verdeeld worden (5).
Dat de olifant samen met een ‘tijger’ naar Nederland werd gebracht, staat overigens ook vermeld in een in 1644 gepubliceerd boek waarvan ook latere edities bekend zijn (6).

Ernst Brinck (ca. 1582-1649), burgemeester van Harderwijk, gaat met zijn zoon in Amsterdam kijken en maakt notities van zijn bezoek. Dat zoontje mag een ritje maken op de rug van de olifant (7). Brinck schrijft allerlei wetenswaardigheden op over de olifant, bijvoorbeeld dat hij op het eiland Ceylon (het huidige Sri Lanka) verwekt is en dat hij “zijn revérence met een buiging” doet, een van de vele kunstjes waarmee Hansken beroemd zou worden. Elders noteert Brinck dat de olifant het hert dooddrukte (8). Of de olifant toen al luisterde naar de naam Hansken is niet bekend.

De Hongaarse edelman Gábor Haller (1614-1663), die tussen 1631 en 1635 door Holland reisde en aan Nederlandse universiteiten studeerde, zag de olifant in Amsterdam op 13 augustus (9). De Poolse arts en geleerde Jan Jonston (1603-1675) maakt in hetzelfde jaar melding van de olifant die hij in Amsterdam zag (10). In Jonstons later (in 1652?) in Frankfurt uitgegeven boek Historiae Naturalis De Quadrupetibus Libri komt een illustratie voor van de olifant die waarschijnlijk Hansken voorstelt (de slagtanden zijn verkeerd weergegeven en toegevoegd):

Illustrie in Jonstons boek Histoira naturalis

Illustratie in Jonstons boek Historiae Naturalis.


1) “Ladinghe van seven Oost-Indische Schepen, ses comende van Batavia, ende een van Suratta, te weten: dese navolghende, Prins Willem, Hollandia, Zutphen, AEmelia, Rotterdam, Hoorn, ende Amboina, onder ’t commandement van den Heer Generael Specx. […] Noch een levendighe witte Olyphant.” Uit: Jan van Hilten, Courante uyt Italien ende Duytschlandt, &c., Amsterdam, 16 juli 1633. Elephant Hansken newspaper 1633

Krant van 16 juli 1633 met het bericht dat VOC-schepen een levende witte olifant hebben meegenomen.

2) “D’Amsterdam le 19. Iuillet 1633. (…) Sept Navires sont arrivez icy, des Indes Orientales, dont la charge est estimée plus de sept millions d’or. Entre plusieurs raretez de ces païs ells ont apporté un Elephant blanc.” en “D’Amsterdam ledit 25 Iuillet 1633. (….) Cette compagnie [des Indes Occidentales, sic!] a mis dans nostre Hospital outre l‘Elephant blanc, don’t ie vous ay parlé, un tigre & et un cerf Indien venuz dans les mesmes vaisseaux, pour les faire voir aux curieux en payant quelque chose au profit des pauvres.” Uit: Th. Renaudot (ed.), Receuil des gazettes nouvelles et relations de toute l’annee 1633, Paris 1634, p. 304 en 320.

Brinck noemt een ander bedrag aan waarde: “Ao 1633 sijn in Holland gearriveert 2 schepen uuijt Oost Indien, geestimeert op 20 tonnen golts. 3 maent daernaer arriveerden noch 7 schepen uuijt Oost Indien, bedragende de ladinge 74 tonnen golts; dese brachten mede een Elephant, een luijpaert, een vogel casewaris, ende een Indiaensch hert.” Inv.nr. 2032, fol. 46r.

3) “A[nn]o 1633 heb ick te Amsterdam oeck gesien een seer schonen Luijperd, die met oost Indische schepen was overgekomen.” En: “A[nn]o 1633 heb ick te Amsterdam gesien een vogel Casewaris, dien daernaer door de Luijpert den kop wierde afgeslagen, mits dat hij hen te naer quam [Harderwijk, Streekarchivariaat Noorwest-Veluwe, Archief Stadsbestuur Harderwijk (1231-1813), respectievelijk inv.nr. 2058, f. 43r en inv.nr. 2057, f. 6]. Brinck spreekt niet van een tijger, maar van een luipaard. Ook in het bericht uit 1634 van de Engelsman Brereton is sprake van een luipaard. De namen van grote katachtigen werden in deze tijd door elkaar gehaald.

4) “Met de jonghste Schepen zijn uyt Oost-indien mede ghebracht een Olyphant / Tygher ende een Indiaensch Hardt / welcke alhier tot profijt van den Armen van veel duysent menschen / in ’t oude Glashuys / gesien werden.” Advertentie in: Jan van Hilten, Courante uyt Italien ende Duytschlandt, &c., Amsterdam, 23 juli 1633. De advertentie wordt aangehaald in F. de Potter, De advertentie in de nieuwsbladen, Gent 1879, p. 40. Op deze bron moet P.H. Witkamp, ‘Het Natura Artis Magistra onzer voorouders”, in: Jaarboekje van het Koninklijk Zoologisch Genootschap Natura Artis Magistra 1875, 151-156, zich op p. 152, waar hij zonder bronopgave melding maakt van de advertentie, gebaseerd hebben.

5) Donderdach den 21 Julij [1633]

Bij occasie vanden overgebrachten Oliphandt gediscoureert sijnde waermen deselve brengen sal vermits d’Importuniteijt die het huijs heeft vanden Kijckers, wort verstaen datmen het Comptoir vanden aelmoeseniers daermede beneficiren en hun accoorderen sal dat sij de voorn[oemde] oliphant een bequame plaetse geven en voor gelt sullen moghen laten besien totter tijdt dat men sal hebben verstaen de genegentheijt van sijn Exc[ellent]ie omme d’voorn[oemde] Oliphant plaetse te geven mits dat d’voorn[oemde] aelmoeseniers aenden diaconien vanden neer Duytschen kercke sullen uuyttkeren een derde part vanden proffijten en dat ijder pro rato sal draegen de oncosten soo vanden persoon die op den oliphant toesicht heeft als andere daertoe vallende.

’t geene hierboven vanden Oliphandt geseyt is, wort mede geaccordeert vanden Luypart, op deselve conditien.

Nationaal Archief, Den Haag, Verenigde Oostindische Compagnie (VOC), nummer toegang 1.04.02, inventarisnummer 231 (Minuut- en net-resoluties van de ordinaris en extraordinairs vergaderingen van de kamer Amsterdam, 1 januari 1632-29 december 1636), sub dato.
Vondst van Gijs Boink (Nationaal Archief) en Ria Winters.

_DSC0161-1

In de administratie van de aalmoezeniers komt de olifant ter sprake  “[in de marge:] (…) Item diverse oncosten op de eliphant gestelt (…)”. Stadsarchief Amsterdam, 343 (Regenten van het Aalmoezeniersweeshuis en rechtsvoorgangers), inv. 566 (Journaal van ontvangsten en uitgaven), 25 februari 1634.

6) De komst van olifant en “tijger” (of een luipaard) wordt in de 1644-editie van de Nederlandse bewerking van Plinius´ Naturalis Historia vermeld en woordelijk herhaald in de volgende drukken. In de Amsterdamse editie van 1657, C. Plinius Secundus (Maior), Vijf boecken. Handelende van de nature, bewerkt door “T.V.D.” (Tobias van Domselaer), staat dit in hoofdstuk 18 van het tweede boek, p. 155: “Weynighe Jaren geleden, is in dese Nederlanden een Tyger met een Oliphant ge­brocht, den Tyger was ontrent soo groot als een Windthondt, maer was heel wilt.” Brinck spreekt van een luipaard: “A[nn]o 1633 heb ick te Amsterdam oeck gesien een seer schonen Luijperd, die met oost Indische schepen was overgekomen.” Notitie Ernst Brinck, Harderwijk, Streekarchivariaat Noorwest-Veluwe, Archief Stadsbestuur Harderwijk (1231-1813), inv.nr. 2058, f. 43r.

Elephant Hansken Brinck

Het Animalium van Brinck met de passage over de aankomst van de olifant in Amsterdam.

7) “A[nn]o 1633 is met de oost Indischen schepen in Hollandt gekomen een Elephant, die ik A[nn]o dito t’ Amsterdam oeck gesien hebbe met mijn sohne Ludovico, die oeck daerop gereden heeft. Desen Elephant was doenmaels olt ontrent 3. iahren, was hooch 7. van mijne voeten; was gegeneriert int’ Eijlandt Ceijlon, ende, gelijck den bestierder verhaelde, soo was sijn moeder hooch 17. voet ende een halven. Seijde oeck, dat de elephanten wassen tot hondert iaren toe; item, dat hij Elephanten gesien hadde, die 268 iahren olt waren. Hadde oeck gesien een tandt, die gewogen hadde 206 pond, ende een van 208 pond, item, dat als sij de iahren hebben ende op haer starckste sijn, sij dragen konnen tuschen 3 a 4000 duijsent pond. Desen Elephant was een wijfken, sijn memmen waren voor in de borst, tuschen de 2. vor­derste beenen. Hij dede sijn reverentie met nijgen­de buijg. Men heeft eens een Speelman op hem gesett die met de violin daerop ginck sitten speelen, waerover den Elephant seer ge­stoort wierde, ende smeet hem met de snuijte van boven neder een groot stuck weechs van hem af, soo dat hij quacte, ende sijn viool verbrack. Hij moste alle dage voor sijn con­sumptie hebben 24. broden van 8. pond, twelck maeckt 200 pond. Als hij t’Amsterdam aenquam, ende men hem op soude hijssen uuijt het schip, ende om dat hij het goetwillich soude gedoog­en, soo beloofde hem de meister een soop brandewijn, soe haest hij opt’landt soude getreden sijn, ende aen landt komen­de, soo en wilde hij niet voortgaen, offe de meister moste hem eerst den beloofden brandewijn betalen: sijn trompe offe slurve (gelijck dien de Hollanders noemen)”

Notitie Ernst Brinck, Harderwijk, Streekarchivariaat Noorwest-Veluwe, Archief Stadsbestuur Harderwijk (1231-1813), inv.nr. 2058, fol. 7r. De anekdote over de violist speelde zich af in Rijswijk. Het vervolg staat op een van de losse blaadjes in inv.nr. 2060, stuk XVII:

“was nim[m]er still, maer beweechde sich steets als een perpetuum mobile, buijgenden den selven dan eens rechtom hooch, dan van onder opwaerts krom, konde hem opne­men als een rolle heel rondt; ick leijde hem vooreen stuk [of: pond] witte­broot in den neck, dat selve haelde hij af met de trom­pe. In sijn mondt had hij 8 grote tanden, daermede dat hij att. Hij sloeck sijn slurf bijwijlen oock wel 2 of 3 dubbelt om den halsen van een Indiaensch hart, dat bij hem lach, twelck hij seer wel ver­mochte.”

Elders heeft Brinck het als volgt beschreven: “Dien Elephant, die Ao 1633 t’Amsterdam uuijt oost Indien arriveerde, sullende opgehijst werden om t’Amsterdam uuijt het schip te treden, omdat hij het goetwillich soude lijden, soo beloofde hem de meister een soop brandewijns, soo haest hij aent‘landt soude sijn. Anlandt comende, wilde hij niet voortgaen, of de meister moste hem eerst den beloofden brandewijn betalen.

Sijn trompe of slurve, gelijck dien de Hollanders noemen, was nimmer still, maer beweechde sich steets als een perptuum mobile, broch hem dan rechts om hooch, dan van onderen opwaerts, dondesem opwinden als een rolle heel rondt, ick gaf hem een wggeleggende dien insijn neck, dien haelden hij af met de trompe, hadde 8 grote tanden in sijn mont, daer met hij att; hij sloech sijn slurf bij wijlen oeck 2 of 3 dubbelt om den hals van een Indiaensch hart dat bij hem lach, twelck hij seer wel vermochte. Inv.nr. 2032, fol. 45v.

8) “Ao 16 [het jaartal werd niet ingevuld] Heb ick te Amsterdam gezien een Oost Indiaensen Hert, seer schoon gespickelt, sijnde root bruijn, met witte stipkens; wierde van den olijphant doot geleg[en].”  Notitie Ernst Brinck, Harderwijk, Streekarchivariaat Noorwest-Veluwe, Archief Stadsbestuur Harderwijk (1231-1813), inv.nr. 2058, f. 31v.

9) [13 Augustus 1633] “Amsterdám. Láttam egy elephántot”. Uit: ‘Haller Gábor naplója, 1630-1644’, in Erdélyi történelmi adatok, ed. K. Szabó, 4 (1862), p. 19.

10) Aan het einde van Jan Jonstons (Joannes Jonstonus’) beschrijving van de olifant in zijn in Amsterdam in 1633 uitgegeven Thaumatographia naturalis merkt hij op p. 358 op dat hij in Amsterdam een olifant heeft gezien (“Animal ipsum Amstelodami videre nobis contigit.”). Het voorwoord van deze uitgave is gedateerd Dordrecht 7 november 1633. In de eerste druk uit 1632 komt deze opmerking niet voor. H.A.M. Snelders, ‘Jan Jonston. His stay and scientific activities in the Netherlands (1629-1634)’, in: Studia i materialy z dziejów nauki polskiej, seria B, vol. 28, pp. 213-227. 1978, p. 222 en noot 27, meent ten onrechte dat de opmerking pas in de derde druk (1661) werd opgenomen.