1632, december. Batavia

Stadhouder Frederik Hendrik had in 1629 de gouverneur-generaal in Indië gevraagd om een olifant en andere exotische dieren. De dieren worden vervoerd aan boord van een van de zeven VOC-schepen onder het commando van de eveneens terugkerende gouverneur-generaal Jacob Speckx (1). Aangezien de olifant in juli 1633 in Amsterdam aankomt zal het dier vervoerd zijn aan boord van een van de schepen van de Kamer Amsterdam. Van de vloot behoren drie sche­pen aan deze Kamer. De Amboina was ver­trokken uit de Indiase kustplaats Surat, de twee andere, de Zutphen en de Prins Willem, uit Batavia in december 1632. Van deze schepen, die meer dan een half jaar onderweg waren, zijn geen journaals bewaard gebleven (2). Het is niet bekend aan boord van welk schip de olifant was, maar het ligt voor de hand om te veronderstellen dat dat was aan boord van hetzij het schip Zutphen, hetzij het schip Prins Willem, aangezien het verzoek van de stadhouder gericht was aan het bestuur van Indië dat in Batavia gehuisvest was, en de exotische dieren eerst bij elkaar gebracht moeten zijn. Een olifant aan boord zorgde voor aparte problemen. Het dier had ruimte nodig om te staan en vooral veel voedsel en water. De reis ging via Kaap de Goede Hoop waar de schepen begin maart aankwamen en tot 25 maart 1633 voor anker lagen (www.vocsite.nl schepenregister). Het is onbekend of de olifant toen van boord is geweest.

1) “Ladinghe van seven Oost-Indische Schepen, ses comende van Batavia, ende een van Suratta, te weten: dese navolghende, Prins Willem, Hollandia, Zutphen, AEmelia, Rotterdam, Hoorn, ende Amboina, onder ’t commandement van den Heer Generael Specx.” Uit: Jan van Hilten, Courante uyt Italien ende Duytschlandt, &c., Amsterdam, 16 juli 1633.

2) J.R. Bruijn e.a., Dutch-Asia­tic ship­ping in the 17th and 18th centuries, 3 (‘Home­ward-bound voya­ges from Asia and the Cape to the Nether­lands 1597-1795’), Den Haag 1979, 36-37).